Schaal- en schelpdieren


 
Sentience and Pain in Invertebrates (2005)
 
Het wetenschappelijk onderzoek naar de pijnbeleving van ongewervelden bevindt zich nog in de beginfase. Een gedetailleerd overzicht van dit onderzoek biedt het rapport Sentience and Pain in Invertebrates (2005), geschreven door Lauritz S. Sømme, een zoöloog, gespecialiseerd in invertebraten, van de sectie Biologie van de universiteit van Oslo.

Het rapport is ’gecheckt’ door de bioloog Bjarne O. Braastad van de Sectie Animal and Aquacultural Sciences van de Noorse universiteit voor Life Sciences. Het is geschreven op verzoek van de Noorse Voedsel- en warenautoriteit met het oog op de nieuwe Noorse dierenbeschermingswet, waarin aandacht besteed zal worden aan het welzijn van de dieren die zich in de macht van de mens bevinden zoals wormen die als levend aas dienen of kreeften die gekookt worden.

Het rapport is dus van groot belang is voor de Noorse visindustrie. Helaas bevat het rapport een aantal foute en ongefundeerde uitspraken, die stuk voor stuk gunstig zijn voor de gangbare exploitatie van dieren door de (Noorse) visindustrie. In de eerste plaats is het bepaald verbazingwekkend dat Sømme - en dus ook Braastad - het recente pijnonderzoek bij vissen - gewervelde dieren - van Lynne U. Sneddon, Victoria A. Braithaite en Michael J. Gentle, ’Do fishes have nociceptors: evidence for the evolution of a vertebrate sensory system’ (2003) niet vermelden.

In dit spraakmakende onderzoek wordt overtuigend aangetoond dat vissen, in dit geval regenboogforellen, op dezelfde wijze op pijnprikkels reageren als mensen en andere gewervelde dieren. De onderzochte vissen beschikken over 58 receptoren rond de bek en elders in de kop die, wanneer zij geprikkeld worden, diverse heftige reacties bij vissen teweegbrengen, zoals schokken en schuren. Deze reacties kunnen vanwege de lange duur niet louter als reflexen beschouwd worden. De discussie over pijn bij vissen lijkt sterk op die over ongewervelden, daarom is het erg storend dat deze studie niet is vermeld.

In het rapport wordt hierdoor helaas diverse malen de welbekende opmerking gemaakt dat vissen, hoewel ze ook tot de gewervelden behoren, waarschijnlijk geen gevoel en pijn kennen, omdat hun hersenen niet genoeg lijken op die van mensen en andere gewervelden. De onuitgesproken suggestie die van deze bewering uitgaat is dat het dan wel helemaal onwaarschijnlijk is dat ongewervelden gevoel en pijn kunnen ervaren. Verder is het te betreuren dat de auteur van het rapport ondanks het grote gebrek aan wetenschappelijke feitenmateriaal en ondanks de aangetoonde indicaties van pijnbeleving bij ongewervelden toch in de conclusie enkele uitspraken doet die door hun formulering opvallend gunstig zijn voor de visindustrie.

Zo wordt gesteld dat de meeste ongewervelden ’waarschijnlijk’ niet in staat zijn om pijn voelen. Dat staat haaks op de conclusie van Fiorito, uit wiens artikel Sømme wel het een en ander citeert, maar niet diens conclusie dat invertebraten in zekere mate over een pijnsysteem beschikken. Van het gekronkel van een worm aan een vishaak wordt gezegd dat het beschouwd ’kan’ worden als een reeks reflexen, terwijl eerder in het rapport melding werd gemaakt van de aanwezigheid van opioïde stoffen in wormen, die pijn kunnen verminderen. Het is ook heel opvallend dat niet in het rapport, maar plotseling wel in de conclusie een oordeel wordt gegeven over de methode van het in kokend water gooien van kreeften en krabben, het bekendste voorbeeld van de dubieuze behandeling van ongewervelden waarover een maatschappelijke discussie gaande is. Hierover wordt in het rapport eerst alleen opgemerkt dat deze dodingsmethode voorkomt en dat terecht de vraag gesteld kan worden of de dieren hiervan pijn ondervinden.

In de conclusie heet het plotseling dat het ’onwaarschijnlijk’ is dat kreeften en krabben pijn voelen. Over hun heftige reacties in het kokende water wordt gezegd dat ’aangenomen’ wordt dat dat slechts reflexen zijn. Daar wordt vervolgens nog geruststellend aan toegevoegd dat er vóór het koken verschillende voorbehandelingsmethoden worden toegepast die ieder mogelijk gevoel van pijn misschien kunnen reduceren (36). Aan de wetenschappelijke onzekerheid en de aangetoonde contra-indicaties wordt, althans in de conclusie - het beleidsmatig en politiek belangrijkste deel van het rapport - door deze formuleringen onvoldoende recht gedaan.

Na deze voor de dieren ongunstig geformuleerde uitspraken, merkt de auteur tenslotte op dat, zolang de kwesties van gevoel en pijn ’onzeker blijven’ [sic!], zorgvuldig moet worden omgegaan met de meer ontwikkelde soorten van ongewervelden. Een schrale troost voor deze dieren. De auteur had zorgvuldiger zijn conclusies moeten formuleren. Hij had daarbij de consequenties moeten trekken uit de thans bekende wetenschappelijke onderzoeksresultaten en uit de indicaties voor de mogelijkheid van pijnbeleving. Die laten het ethisch niet langer toe om ongewervelden te behandelen als dieren die geen pijn kunnen ervaren.

Het ware daarom meer verantwoord geweest als Sømme zijn conclusie als volgt had geformuleerd: Uit het onderzoek dat is verricht, is niet gebleken dat de meeste ongewervelden geen pijn kunnen ervaren; de aangetoonde aanwezigheid van opioïden in ongewervelden alsmede de overeenkomsten van reacties van ongewervelden op negatieve prikkels met die van gewervelden duiden waarschijnlijk op pijnbeleving. Mogelijk is hij voor de consequenties van een dergelijke conclusie teruggeschrokken. Het zou niet de eerste keer zijn dat wetenschappers bezwijken onder de druk van menselijke, sociaal- economische belangen.

^ terug naar boven
Alle gegevens onder voorbehoud van typefouten
Vissenbescherming.
Standaardsite gemaakt met website software van Ziber